BEDRIJF STARTEN HAVO 3e druk

les Maken door leerling les les les
1 1.1 t/m 1.7 9 3.1 t/m 3.6 17 4.18 t/m 4.22 25 5.6 t/m 5.9
2 1.8 t/m 1.16 10 3.7 t/m 3.12 18 4.23 t/m 4.27 26 5.10 t/m 5.14
3 1.17, Zelftest 1 11 3.13 t/m 3.16 19 4.28 t/m 4.30 27 Zelftest 5
4 2.1 t/m 2.7 12 3.17, 3.18 20 4.31, 4.32 28 6.1 t/m 6.4
5 2.8 t/m 2.13 13 Zelftest 3 21 4.33, 4.34 29 6.5 t/m 6.10
6 2.14 t/m 2.20 14 4.1 t/m 4.5 22 4.35, 4.36, Zelftest 4 30 6.11, 6.12, Zelftest 6
7 2.21, 2.22, Zelftest 2 15 4.6 t/m 4.11 23 Zelftest 4 31 Zelftest 6
8 Zelftest 2 16 4.12 t/m 4.17 24 5.1 t/m 5.5

 

Studielast Bedrijf Starten havo

Doorwerken van de lesbrief 31 × 50/60    25 uur en 50 minuten
Cases maken    4 uur
Studeren 12 uur
Proefwerk maken    2 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken    1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten    p.m.
Totaal   46 uur

 

Overzicht t.b.v. differentiatie:

Hoofdstuk Theorievragen Overige vragen / rekenvragen
1 1.2, 1.6 Geen
2 2.1, 2.12 2.14, 2.15, 2.22
3 3.1 3.6, 3.12, 3.17
4 4.1, 4.12 4.4, 4.7, 4.9, 4.10, 4.16, 4.24
5 5.1 5.2, 5.10, 5.13
6 6.1 6.10, 6.12

 

 

Eindtermen Bedrijf Starten

Het CE Havo 2023 is gebaseerd op de Syllabus versie 2, juni 2021

 

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen.

Voor het centraal examen betekent dit het uitleggen van het proces rond de oprichting van een eenmanszaak en het beoordelen van de rol (en de keuzes) van de ondernemer hierin.

In dat verband kan de kandidaat

12.1     de voor- en nadelen van een arbeidsrelatie versus zelfstandig ondernemerschap beoordelen.

12.3     in de rol van ondernemer de verschillende onderdelen van een ondernemingsplan opstellen.

12.3.3        een financieel plan opstellen

 

Belangrijkste begrippen:

financieel plan

  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • liquiditeitsbegroting

12.4     de verschillende verplichtingen met betrekking tot de oprichting van een startende eenmanszaak door een ondernemer uitleggen.

 

Belangrijkste begrippen:

Oprichtingsverplichtingen

  • inschrijving bij Kamer van Koophandel
  • registratie bij de Belastingdienst
  • vergunningen

Subdomein B2 12.1 gekoppeld aan C2 16

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan D2 18.1

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F1 23

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F2 25

 

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

14. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

13.1     in de rol van ondernemer en/of bestuurder uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.

13.1.3        de kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak en vennootschap onder firma (openbare vennootschap) noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.

13.1.4        de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.

 

Belangrijkste begrippen:

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • eenmanszaak
  • vennootschap onder firma (openbare vennootschap)

 

Subdomein B3  13.1.4  gekoppeld aan D2 19

 

Domein F: Financieel beleid 

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een dienstenonderneming, die soms ook producten inkoopt en verkoopt, de verschillende kostensoorten noemen, het resultaat berekenen en de verschillen analyseren.

 

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

23. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat financiële overzichten kan opstellen en analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

23.1     de gevolgen van financiële feiten voor de balans en winst- en verliesrekening analyseren. NB De kandidaat hoeft geen journaalposten op te stellen.

23.2     de kosten op basis van gegeven uitgaven en de opbrengsten op basis van gegeven ontvangsten en vice versa, berekenen.

23.3     een beginbalans, een liquiditeitsbegroting, een exploitatiebegroting en een geprognosticeerde eindbalans ten dienste van de interne verslaggeving opstellen.

23.4     de samenhang uitleggen tussen een exploitatiebegroting, een geprognosticeerde eindbalans en een liquiditeitsbegroting gegeven de beginbalans.

 

Belangrijkste begrippen:

financiële feiten

  • inkoop (en ontvangst) van goederen en diensten (contant en op rekening)
  • verkoop (en aflevering) van goederen en diensten (contant en op rekening)
  • aflossen van schulden
  • afschrijving (op basis van aanschafwaarde)
  • btw aangifte
  • privéontvangsten en -uitgaven
  • overige ontvangsten per kas en bank
  • overige uitgaven per kas en bank

financiële overzichten

  • beginbalans
  • liquiditeitsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • geprognosticeerde eindbalans
  • winst- en verliesrekening
  • afzet
  • verkoopprijs
  • omzet
  • kosten
  • bedrijfsresultaat
  • financieringsresultaat
  • resultaat voor winstbelasting
  • resultaat na winstbelasting
  • eigen vermogen
  • verandering liquide middelen
  • liquide middelen
  • gerealiseerde balans
  • voorraadgrootheden
  • stroomgrootheden

 overlopende posten

  • nog te betalen bedragen
  • nog te ontvangen bedragen
  • vooruit betaalde bedragen
  • vooruit ontvangen bedragen

 

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat voor een dienstverlenende onderneming de opbrengsten en kosten kan noemen, de winst kan berekenen en de mogelijke verschillen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

25.1     de omzet berekenen op basis van een gegeven verkoopprijs.

25.4     berekenen hoe groot de verkoopprijs inclusief btw is als de verkoopprijs exclusief btw bekend is (en vice versa).

25.5     het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.